Onder het dorp Rapperath staat in de vallei een massieve, uit leisteen gebouwde boogbrug. De brug overspant de Dhron, die hier de grens vormt tussen de gemeente Merscheid en de gemeente Weiperath. Het is de "Hammerbrücke". De naam herinnert aan een hamermolen die hier meer dan 200 jaar geleden werd opgericht.
In 1773 verleende de "Kurische Hofkammer zu Ehrenbreitstein" aan Wilhelm Diez, molenaar te Gonzerath, toestemming voor de bouw van een hamermolen en de aanleg van een vijver. Het heeft waarschijnlijk nog enkele jaren geduurd voordat de installatie in gebruik kon worden genomen. Wanneer deze voltooid was, is niet bekend, maar de locatie kan nauwkeurig worden bepaald aan de hand van officiële kaarten uit 1829/30.
Op 11 maart 1790 veilden de gebroeders Stumm, een bedrijf dat vooral naam maakte door de aankoop van bestaande smederijen en hamermolens, de "Neuen Hammer" bij Weiperath, zoals door een rechtbank in "Morschied" werd bevestigd. In een protocol van 19 april van hetzelfde jaar wordt vastgesteld dat Wilhelm Diez de Hammerbrücke in een ordentelijke staat heeft gebracht. In een later afgegeven kwitantie worden onder andere overgenomen kolenvoorraden vermeld, dat wil zeggen dat de ijzermolen al voor de veiling in gebruik was. De producten van de hamermolen werden doorgaans geleverd aan Abentheuer, de zetel van de boekhouding van het bedrijf.
De hamermolen bestond uit drie waterraderen, twee versvuren en een grote hamer; mogelijk waren er nog een of twee kleine hamers aanwezig, die in de beschrijving niet worden genoemd, maar gebruikelijk waren. De versvuren werden door elk twee blaasbalgen aangewakkerd. Op de as van de waterraderen waren nokken en tandwielen aangebracht die het heffen van de hamers mogelijk maakten; ook de blaasbalgen werden zo aangedreven. Een grote hamer woog ongeveer 150 kilogram en maakte 60 - 80 slagen per minuut, een kleine hamer woog ongeveer 35 - 40 kilogram en maakte ongeveer 200 slagen per minuut.
In 1817/18 werd de ijzermolen stilgelegd wegens gebrek aan kolen. Ook de opkomst van grote ijzer- en staalfabrieken met moderne installaties leidde na verloop van tijd tot de sluiting van de kleine bedrijven. In 1822/23 werd de inrichting verkocht, alleen het woonhuis bleef bewoond. Het was een twee verdiepingen tellend huis, gebouwd van steen en met leisteen bedekt. Op elke verdieping waren twee "verwarme" kamers. In 1835 schonk Friedrich Philipp Stumm zijn drie kleinkinderen, de broers Böcking, onder andere de hamermolen aan de Dhron. In 1836 en in april 1841 kochten de nieuwe eigenaren extra aangrenzend land, hoewel de hamermolen als werkplaats niet meer bestond. De totale grootte van het terrein bedroeg nu ongeveer 2 hectare. In juni 1841 werd de ijzermolen verkocht aan een weduwe van een boswachter uit Elzerath, die deze in 1848 aan haar zwager overdroeg. Na verloop van tijd vervielen echter de gebouwen en in 1856 werd het woonhuis afgebroken. De stenen ruïnes dienden de bewoners van de naburige dorpen als steengroeve. Het weiland dat overbleef, werd door de eigenaar in 25 percelen verdeeld, verhandeld en vervolgens verkocht.
Van alle gebouwen is vandaag de dag niets meer te vinden, alleen de greppel is nog gedeeltelijk behouden.
Ter gelegenheid van de 900-jarig bestaan van het dorp Weiperath is een ijzermolen nagebouwd. Deze staat op het dorpsplein in de buurt van de fontein. Hij is volledig operationeel, wat bij speciale gelegenheden wordt gedemonstreerd.
Bron: "Weiperath - Een dorp en zijn geschiedenis"